De geschiedenis van de Vrijmetselarij

Oud genootschap?

De officiële geschiedenis van de hedendaagse vrijmetselarij begint in 1717. Op 24 juni van dat jaar, het was op de dag van de schutspatroon van de bouwers, Johannes de Doper, komen vier Londense loges bijelkaar om een gezamenlijke Grootmeester te kiezen, die vanaf dat moment ook de officiële bijeenkomsten, die toen eens per kwartaal plaatsvonden, bij te wonen. Daarmee was de Londense Grootloge als centraal orgaan een feit. Het heeft nog jaren geduurd voordat zij haar “gezag” over geheel Engeland kon laten gelden.

Waar komt de naam vrijmetselaar vandaan?

De voorgeschiedenis moeten wij zoeken in de Engelse en de Schotse bouwgenootschappen of bouwgildes van de middeleeuwen zoals die toe ook in Frankrijk bestonden. In oude Britse handschriften, waaronder het Regius Manuscript uit ca. 1390, komen wij al de term "freemason" tegen. Deze benaming en die van “vrijmetselaar" is een samentrekking van "freestone mason". Zo werd toen de steenhouwer genoemd die vakkundig de uit steengroeven gehouwen ruwe steenblokken bewerkte tot bruikbare en mooi gevormde bouwstenen voor grote bouwwerken, in veel gevallen kathedralen. Vandaag zien wij symbolisch de “ruwe steen” als onszelf en het “bouwwerk” als de samenleving.

Vrijmetselarij voor niet-bouwvakkers?

Onderzoek laat zien dat veel kenmerken van de hedendaagse vrijmetselarij terug te vinden zijn in de Schotse Loges vanaf 1600. William Schaw, bouwmeester van de Schotse koning had al een poging gedaan om in 1598 een reglement voor Loges op te zetten. Ook hij deed al een poging een “centraal gezag” te creëren. Lidmaatschap van de dat dan toe nog “operationele” lodges was voorbehouden aan uitsluitend vakgenoten. De behoefte aan ”speculatieve vrijmetselarij”, het ook binnen de loges spreken over maatschappelijke, filosofische en persoonlijke opvattingen, werd groter en steeds meer vanzelfspreken. En vanaf de eerste helft van de 17e eeuw worden er al mensen ingewijd in deze Schotse Loges die met het bouwvak niets van doen hebben. Er is een groot aantal Schotse Loges van toen die vandaag de dag nog steeds actief zijn. Het is mogelijk en eigenlijk zelfs zeer waarschijnlijk dat juist deze Schotse Vrijmetselarij zich verspreidde over Engeland en verder.

De eerste gedragsregels?

Enige jaren na de oprichting in 1717 stelde James Anderson, predikant van de Schotse Kerk in Londen, de zogenaamde 'Oude Plichten' op, die als grondslag zouden gaan dienen voor de werkwijze der loges en die door de Engelse Grootloge in 1723 werden aanvaard. Anderson's 'Oude Plichten' waren gebaseerd op leefregels, werkwijze en plichten van oude bouwgilden, die in besloten gezelschappen waren georganiseerd. Sommige gebruiken uit deze bouwgilden werden door de vrijmetselarij overgenomen, zoals gradenstelsel van Leerling, Gezel en Meester, alsmede de ballotage. Die “Oude Plichten” gelden vandaag de dag nog!

Waarom besloten?

Uit oude documenten blijkt de beslotenheid en de vertrouwelijkheid van de bouwcorporaties met hun reglement voor meesters, gezellen en leerlingen, hun toelatingsceremonie en de plechtige eed van geheimhouding die nieuwe leden moesten afleggen. Hun bijeenkomsten vonden plaats in de z.g. bouwhut, "lodge" genaamd. Daar deden meesters hun werk met passer en winkelhaak en kregen hun leerlingen en gezellen instructies in het hanteren van de gereedschappen en het bewerken van de materialen volgens de “geheime” werkwijze van dat genootschap.

In de loop van de tijd werd niet alleen de plaats van samenkomst "lodge" genoemd, maar ook de groep van vakbroeders die er hun vaardigheden ontwikkelden. De Lodge werd ook de ruimte om in een sfeer van vertrouwen met elkaar over geestelijke waarden van gedachten te wisselen, zonder in problemen te komen met de gevestigde orde daarbuiten.

Wanneer het vrijmetselarij zich wereldwijd verspreid?

Op het Europese vasteland werden al heel snel de eerste vrijmetselaarsloges opgericht. Frankrijk volgde in 1725, Nederland in 1734 en in Duitsland in 1737. Vooral in de landen die tot de Britse koloniën hebben behoord, met name in de Verenigde Staten, Canada en Australië, heeft de vrijmetselarij veel weerklank gevonden. Ook vanuit Nederland heeft de vrijmetselarij zich via de koloniën en handelsbetrekkingen over de wereld verspreid. Nederlanders stichtten loges op de Antillen, in Suriname, Indonesië, Zuidelijk Afrika, Brazilië, en het tegenwoordige Sri Lanka. Op dit moment vallen nog zo’n zestien loges buiten Nederland met totaal ca. 600 leden, o.a. op de Antillen en in Suriname, onder de Nederlandse Orde.

De voedingsbodem van de groei in Nederland?

De hele 18e eeuw kenmerkte zich door een hang en drang naar bevrijding van kerkelijke en staatkundige bevoogding. Er ontstond een geweldige honger naar individuele vrijheid en kennis. Deze bevredigde men in rariteitenkabinetten, door het lezen van encyclopedieën en maar ook door zich aan te sluiten bij lerende of geleerde genootschappen. Descartes en Huygens hadden hun sporen in Nederland en Frankrijk achtergelaten. De tijd aan van het grote Weten brak aan: Leibniz, Newton, Kant, Rousseau, Adam Smith, Lavoisier, enzovoorts.

In dat tijdsbeeld ontwikkelde zich de vrijmetselarij in de “Republiek der Zeven Vereenigde Nederlanden”. Met betrekking tot de opkomst van de vrijmetselarij in ons land, bestaat er mogelijk een verband met het huwelijk van de toenmalige stadhouder Willem IV en de Engelse prinses Anne in 1734. In 1734 wordt door vooral in de “Nederlanden” wonende Engelsen de eerste Nederlandse Loge opgericht met de Franse naam "Loge du Grand Maître" (de huidige loge "L'Union Royale") in Den Haag

Verschil in karakters van de Nederlandse loges?

Dat spreekt bijna vanzelf. In Den Haag waren de loges over het algemeen orangistisch en militair georiënteerd. De loges in Amsterdam hadden daarentegen een sterk patriottisch karakter. Vooral in de tweede helft van de 18e eeuw waren de Amsterdamse loges vrijplaatsen voor rondtrekkende intellectuelen, kooplieden en kunstenaars. Men ontmoette daar gelijkgezinde progressieven uit heel Europa. Zo zien we in het gasten- of visiteurenboek uit 1759 de beroemde Casanova en uit 1776 Jean Paul Marat, later lid van het Franse Triumphiraat (1790).Op 4 maart 1735 werd een jonge hugenoot, Jean Rousset de Missy, ingewijd in de eerste Nederlandse loge 'Vincent la Chapelle' in Den Haag. Uit authentieke stukken blijkt dat in de herfst van 1735 in Amsterdam een loge genaamd 'De la Paix' werd gesticht door diezelfde JR. de Missy. Hij was redacteur en uitgever van het weekblad 'Mercure Historique et Politique' en geschiedschrijver van de Prins van Oranje. In 1756 sloot een tiental loges zich aaneen tot wat sedert de Franse tijd officieel "Orde van Vrijmetselaren onder het Grootoosten der Nederlanden" heet.

Vrijmetselarij onder het dictatoriale gezag van WO II?

Na de meidagen van 1940 werd het Ordegebouw in Den Haag door de Duitsers leeggeroofd en werd de Orde verboden verklaard. Ook het logegebouw in Haarlem werd leeggeroofd en door het Duitse gezag bezet.

De Grootmeester van de Orde, Hermannus van Tongeren, kwam in een Duits concentratiekamp om. Na de oorlog is een groot deel van de kostbare bibliotheek van de Orde, archief en andere bezittingen teruggevonden. Deze en latere bezittingen van de Orde zijn tegenwoordig ondergebracht in het Cultureel Maçonniek Centrum "Prins Frederik" te Den Haag.